Uw Cruise Plus adviseur
    Caroline
T:   03-780.76.13

Advies nodig ?
Extra informatie ?

Bel mij gerust op !

 
 
Arctica
Met de Noordpool of het Noordpoolgebied wordt vaak het gehele gebied ten noorden van de Noordpoolcirkel bedoeld, de zogenaamde Arctis. De Noordpool en een groot gebied er omheen, zijn bedekt met ijs. Dit is echter geen landijs zoals op Antarctica en Groenland, maar zeeijs. Dit zeeijs is gemiddeld tussen de 1 en 4 meter dik en bestaat uit bevroren oceaanwater. De dikte van het zeeijs is afhankelijk van de luchttemperatuur en de temperatuur van het water direct onder het ijs. ’s Zomers neemt het totale oppervlak aan zeeijs op de Noordpool aanzienlijk af door de sterke toename van de luchttemperatuur. In de landen om de Noordpool wonen wel mensen, die wij vaak eskimo's noemen, maar het woord eskimo betekent "rauw–vleeseter". Dat komt omdat men zag dat deze mensen rauw vlees eten toen men hen ontdekte. Eskimo's noemen zichzelf liever Inuït dat "echte mensen" betekent. Oorspronkelijk komen de Eskimo's uit Azië. Ongeveer 4000 jaar geleden vestigden ze zich op de Noordpool. Het waren nomaden en trokken rond om op zeehonden en rendieren te jagen. Ze overleefden de bitter koude winters door schuilplaatsen in de grond te graven. Ze maakten een dak van wrakhout en walvisbeenderen met daaroverheen een laag turf. Hun kleding bestond uit dubbele lagen rendieren of poolbeervacht. Tegenwoordig wonen de meeste Eskimo's in kleine dorpen, maar ze proberen hun oude cultuur in ere te houden. De jacht neemt nog altijd een belangrijke plaats in hun leven in. Eskimo's jagen alleen op dieren om te kunnen eten en om de vachten te verkopen. Ze jagen niet om de sport. Ze hebben grote eerbied voor de dieren en roeien ze niet uit. De jacht vereist geduld en vakmanschap en soms leggen de Eskimo's 's winters wel 5000 km af om genoeg voedsel te bemachtigen. Onderweg bouwen ze iglo's van blokken bevroren sneeuw, waar de wind niet doorheen blaast. De Eskimo's in Groenland en Canada worden "Inuït" genoemd. In Noord-Amerika leven nog ongeveer 25 000 Inuït. De meeste van hen wonen in houten huizen, die gekenmerkt worden door de kleine ramen om zoveel mogelijk kou buiten te houden. Sommige Inuït leven nog altijd van de jacht maar de meeste werken bij visverwerkingsbedrijven. De ouderwetse eskimoslee wordt door 10 tot 15 poolhonden voortgetrokken. Als een goede bestuurder de teugels in handen heeft, kunnen de honden in één dag 80 km afleggen. Rijke eskimo's gaan niet meer met de hondenslee maar met de sneeuwauto op jacht. Omdat de jacht vele dagen kan duren worden voorraden en levensmiddelen meegenomen.

Het noordpoolgebied wordt ook wel Arctica genoemd (niet te verwarren met Antarctica,want dat is de zuidpool). De noordpool en Antarctica lijken minder op elkaar dan we denken, want de noordpool is een bevroren zee met land eromheen en Antarctica is bevroren land met zee er omheen. De noordpool is de allernoordelijkste punt op aarde. Er zijn eigenlijk twee noordpolen : een aardrijkskundige en een magnetische. Een kompas zal altijd naar het magnetische noorden wijzen.

De poolgebieden kennen slechts twee seizoenen, de winter en de zomer. Wanneer het op de noordpool zomer is, is het winter op de zuidpool en omgekeerd. In de zomer is het dan 24 uur daglicht. De zon schijnt ononderbroken op de uitgestrekte ijsvlakten gedurende 6 maanden (van maart tot september) om de volgende 6 maanden nooit aan de horizon te verschijnen. De dunne laag pakijs (1 tot 4 meter dik) is continu in beweging.

Poollicht

Poollicht wordt veroorzaakt door de magnetische polen (dus de noordpool en de zuidpool) en de zon die in dit magnetische veld schijnt. Het poollicht op de noordpool noemt men noorderlicht: “gordijnen van gekleurd licht”.
Ijsschotsen

De grote zee die in het noordpoolgebied ligt heet de noordelijke IJszee. Het is hier erg koud want zout zeewater bevriest pas bij hele lage temperaturen. Het zeeijs is één grote, uitgestrekte kale vlakte. Enorme ijsschotsen botsen en scheuren over elkaar met op de achtergrond een intens krakend geluid om daarna een nieuwe ijsformatie te vormen. Onder dergelijke druk worden soms richels tot 10 meter hoog gevormd. Wanneer twee dergelijke ijsschotsen zich van elkaar afscheiden, komt een kanaal van open water tot leven dat zich soms als een rivier over honderden kilometers uitstrekt.

Klimaat in beeld

Een speciaal kenmerk van de poolzomer is het aanhoudende daglicht, waardoor planten op het land en in zee een aantal weken per jaar aan één stuk door kunnen groeien. Op de noordpool komt de zon op 21 maart op en gaat pas op 22 september weer onder. En wanneer hij eenmaal onder is gegaan komt hij tot het volgende jaar maart niet meer op: er is in de winter dus geen echt daglicht. Op de zuidpool gebeurt hetzelfde, alleen vallen de jaargetijden daar precies andersom. De poolgebieden krijgen hun jaarlijkse hoeveelheid daglicht en duisternis dus voornamelijk in twee lange perioden. Glanzende, bewegende gordijnen van licht, ook wel poollicht genoemd, verschijnen soms in de noordpool aan de hemel, vooral in de buurt van de magnetische polen van de aarde geladen deeltjes aantrekken die door de zon worden gemaakt. Wanneer deze deeltjes op gasdeeltjes in de dampkring van de aarde stuiten, komt er gekleurd licht vanaf zie plaatje. Het poollicht op de noordpool noemt men noorderlicht en dat op de zuidpool noemt men zuiderlicht. Poollicht is moeilijk te fotograferen omdat je het licht niet zo goed kunt zien het omdat het licht snel beweegt. De zonnestralen brengen warmte en licht op de aarde. Maar de aarde is gebogen als een bal, daarom zijn de zonnestralen bij de noordpool zwakker en meer uitgespreid dan bij de evenaar. De stralen moeten ook een grotere afstand door de dampkring afleggen om de noordpool te bereiken en de dampkring neemt veel van de warmte op waardoor de noordpool kouder word. Het witte ijs en de sneeuw aan de polen kaatsen tussen de zon als het ware terug dus word het nog kouder. In de Noordelijke IJszee drijven veel ijsschotsen. Die zijn van het zeeijs afgescheurd en worden door de stroming van de zee meegenomen. In de koudste periode, de poolnacht, kan een heel groot deel van de Noordelijke IJszee dichtvriezen. Bijna de hele zee is dan bedekt met ijsschotsen. Vaak schuiven ze over elkaar heen en krijg je pakijs. Als de Noordelijke IJszee vol ligt met pakijs, is er voor schepen geen doorkomen aan. Dan moeten ijsbrekers te hulp komen. Dat zijn schepen die een vaargeul in het ijs breken. Andere schepen varen dan achter de ijsbreker aan. Dit noemen we in konvooi varen. Achter het laatste schip sluit het pakijs weer snel aaneen. Dan is er opnieuw geen doorkomen aan. IJsbrekers moeten een stevige boeg (voorkant) hebben en over sterke motoren beschikken. De boeg drukt het ijs naar beneden en breekt het. Er zijn ijsbrekers van meer dan 80 meter lang. Zij hebben motoren die op atoomkracht werken.

De toendra

Aan de rand van de pooloceaan ligt een eigenaardige landstreek, de toendra. Dit is een Russisch woord dat van de Lappen afkomstig is. De oceaan en de toendra samen vormen het echte noordpoolgebied, de streek ten noorden van de boomgrens of het land van de Eskimo’s. Ten zuiden hiervan ligt een uitloper van het poolgebied, de subpool. Dat is het land van de Indianen en de blanke kolonisten. In die streken komen zelfs veelvuldige bossen voor. De toendra bestaat uit schrale stukken land die door stormen worden geteisterd. Door zijn ongelijke vormen ziet het land er niet alleen schraal maar ook geheimzinnig uit. Ondanks het troosteloze uiterlijk van de hoogten en de vlakten is het een vruchtbare streek en ofschoon er in de zomermaanden uitzonderlijk weinig regen valt, is het er één grote aaneenschakeling van meren en moerassen, die gedurende de barre maanden tussen midden september en midden juni spiegelglad worden. Vreemd genoeg treft men hier veel water aan, omdat de koude lucht bijna geen vocht kan absorberen en omdat een normale afvloeiing wordt tegengegaan door de ‘permafrost’ - de voortdurend bevroren bodemlaag enkele centimeters onder de oppervlakte. De aanwezigheid van dit water zorgt voor de opbouw van een levenscyclus. Sommige vogels en andere dieren eten de planten als voedsel, terwijl ze op hun beurt worden verorberd door vleesetende soorten. Maar wanneer de zon steeds verder zakt en de winter nabij komt, trekt het merendeel van deze dieren in zuidelijke richting, de toendra overlatend aan zijn sneeuwstormen, zijn rukwinden, zijn ijsregens, duisternis en intense koude. De vele, over het gehele gebied verspreid liggende rotsblokken, zijn overblijfselen van het gletsjerpuin. Ook nu nog geeft de strenge vorst elke winter een ander uiterlijk aan het ruige beeld van de toendra. Rotsblokken worden op elkaar geworpen of uit elkaar getrokken en gedurende de dooiperiode krijgen land en water de eigenaardigste vormen. Men treft er stenen aan in de vorm van kransen of cirkels. Waar deze stenen, die soms enkele meter in omtrek zijn, vandaan komen heeft nog niemand kunnen verklaren. Andere kenmerkende verschijnselen van de toendra zijn de pingo’s, het woord dat de Eskimo’s gebruiken voor ‘heuvel’. Op sommige plaatsen steken ze tot 45 meter boven het geteisterde landschap uit. Deze kegelvormige heuvels met hun kern van ijs, treft men vaak in ondiepe of drooggevallen meren aan. Tenslotte zijn er de ijsvlakten : vuil, samengeklonterd ijs dat voorkomt in gebieden waar men korrelige substanties als fijn zand aantreft. Niemand heeft voor deze ijsvlakten tot nu toe een duidelijke verklaring kunnen geven, maar algemeen wordt aangenomen dat ze ontstaan door bevriezing van water dat op één of andere manier van onder uit wordt opgezogen. In de toendra komen enkel in juli en augustus temperaturen voor boven het vriespunt.

Plantengroei in de toendra

De planten en de weinige bomen die we aantreffen zijn erg klein en vechten voor hun bestaan. In deze moeilijke omstandigheden zijn er toch meer dan 900 soorten planten die zich hebben aangepast. Daarnaast zo’n 300 soorten mos, ongeveer 200 soorten kostmos en wel 30 soorten varens. Het geheim zit in het feit dat de zonnewarmte wordt vastgehouden door de donker gekleurde bodem en door de planten die erop groeien. Het is inderdaad zo, dat de temperatuur van de planten enkele graden hoger kan zijn, dan die van de omringende lucht. Op een weerstation in Noord-Groenland werd bijvoorbeeld in de maand mei een temperatuur van 3,5 graden boven nul geregistreerd, terwijl het effectief 13 graden vroor. In een bed van donkerkleurig mos werd zelfs een temperatuur van 10 graden boven nul gemeten. In het noordpoolgebied is de bodem meestal zuur, doordat er maar weinig lucht door kan en het water bijna niet kan worden afgevoerd. Vruchtbaarder is de grond op plaatsen waar dieren hun holen hebben en in gebieden waar veel vogels voorkomen, want daar zijn fosfaat en stikstof volop aanwezig. Sommige planten zijn verwant aan soorten die meer naar het zuiden voorkomen, bijvoorbeeld wilde klaprozen, steenbreek, heide, paardebloemen, korenbloemen, salie, grasklokjes en timotheagras. De grimmige toendra is zelfs getooid met boterbloemen en met het forse nagelkruid, dat in de bergen voorkomt. Men treft er grootbloemmuur aan en in drassige gebieden zelfs een dikke laag moeraswol, purperen trossen zuringscheutjes en op sommige plaatsen malse weiden. Vooral korstmos is een merkwaardige plant. Het zijn eigenlijk twee organismen : alg en zwam.

Insecten in de toendra

In de zomermaanden krioelt het in het noordpoolgebied niet alleen van de bloemen, maar ook van de ontelbare insecten. Ten zuiden van de boomgrens treft men dan zo’n 10.000 soorten aan. Ten noorden van het bosland zijn het er 500, waarbij de korte duur van de zomer er de oorzaak van is dat sommige insecten verscheidene jaren nodig hebben om het proces van eitjes tot ontpopping te voltooien. Onder de insecten zijn de vliegen het talrijkst, zowel in aantal als in soorten. Op de tweede plaats komen de wortelmaden, waarvan de larven hun voedsel onttrekken aan de wortels van de planten. Muskieten vormen de op twee na grootste groep. Daarnaast hebben we de groteske langpootmuggen, de schitterend gekleurde zweefvliegen, de vleesvliegen (waarvan de eitjes hun voedsel aan kadavers onttrekken), de horzels en de paardenvliegen (die kariboes aanvallen). Op de tweede plaats in de rij van groepen insecten komen de parasitaire insecten, waarvan de larven zich dik eten aan de larven van vlinders, motten, zaagwespen en vliegen. De bijen die in het noorden voorkomen zijn een soort hommels. Alleen de koningin overleeft de winter; de mannetjes en de werkbijen sterven allemaal in de herfst. Ook vlinders komen in grote getalle voor. Deze hebben beslist de interesse van de vroegere noordpoolreizigers gewekt, want in het Brits Natuurkundig Museum van Londen kan men nog steeds de exemplaren bewonderen die door Ross, Franklin en andere poolavonturiers zijn meegebracht. Zelfs kevers treft men hier aan. Dat zijn dan de landkevers, waterkevers, roofkevers,aaskevers en zilvervisjes. Verscheidene soorten vlooien zoeken onderdak bij hazen, lemmings, eekhoorns, wezels en zelfs meeuwen.

Vogels in de toendra

Nu we weten dat er zoveel planten en insecten zijn, is het niet verwonderlijk dat het noordpoolgebied in de zomer talrijke vogels huisvest. De vele, vele uren onafgebroken daglicht stellen hen in staat gedurende een langere periode voedsel te zoeken dan in zuidelijke streken. De uitgebroede vogels groeien dan ook heel snel. Visdiefjes, pijlstaarten, brilduikers, zee-eenden en talinkjes keren gedurende de zomermaanden terug naar hun nest in de grasrijke gebieden rond de meren, rivieren, de moerassen en de plassen. Met de snaterende eenden en de rood gebekte duikvogels leven ze daar broederlijk naast elkaar. De kraanvogels en andere waadvogels stappen rond door de wadden. Rondcirkelende valken en andere roofvogels vinden een gemakkelijke prooi en op de oevers bouwen de eidereenden hun nest. Het noordpoolgebied is een belangrijke broedplaats van eenden en ganzen, terwijl de hoge rotswanden enkele van de grootste zeevogelkolonies van de wereld herbergen. Zelfs in de winter vallen er vogels te bespeuren. Sommige zeemeeuwen blijven aan de rand van het ijs en zelfs in de toendra klinkt het gekras van de raaf nog door de maandenlange duisternis. Ook de sneeuwuil en de sneeuwhoen laten hun sporen na in de sneeuw. De poten van de sneeuwhoen zijn trouwens met een dikke laag veren bedekt, die voor een uitstekende isolatie zorgen. De meeste vogels hier zijn wit, zwart en wit of vertonen een combinatie van deze kleuren in verschillende tinten. Alle soorten meeuwen zijn wit of bijna wit. Van alle zeevogels die de noordpool bevolken worden er maar weinig in zo grote getale gezien als de diksnavelige murre of akpa. Dit is de ‘pinguïn’ van de noordpool. Hij heeft ook de kleur van de pinguïn en loop rechtop op zijn poten. Onder water zijn murren echt zeer behendig. In de lente keren ze terug naar de rotsen om er hun nest te bouwen Ze geven zich dan over aan indrukwekkende dansen onder water en aan even acrobatische sprongen in de lucht. Men vermoedt dat dit vreemde gedrag een soort zelf-aanmoediging is om te gaan broeden.

Landdieren van de toendra

Robben zijn het belangrijkste voedsel van de poolberen, die het grootste gedeelte van hun tijd op het ijs of in het water doorbrengen. Ze eten ook jonge walrussen, vissen, dode walvissen, zeewier en vogeleieren. Wanneer ze landinwaarts trekken bestaat hun maaltijd voornamelijk uit knaagdieren en uit gras. De vrouwtjes beren (soms ook de mannetjes) graven in de maand oktober diepe holen in de sneeuwwallen en daar worden de jongen medio december geboren. Deze jongen, ongeveer één tot twee per gezin, blijven tot half maart in de holen. Zelfs wanneer ze al een jaar oud zijn worden ze nog steeds gezoogd door de moeder, die hen beschermt en hen leert te jagen. Wanneer ze twee jaar oud zijn jaagt de moeder ze weg en moeten ze het zelf zien te rooien. Op het vasteland komt nog een ander soort van beer voor : de grijze beer. Deze leeft op open vlakten. Hij is een echte toendrazwerver. Beren houden geen echte winterslaap. Ze graven zich wel enkele maanden in (in holen) en verkeren in een vorm van ‘verdoving’, maar verlaten nu en dan hun schuilplaats om voedsel te zoeken. De siksik ofwel eekhoorn is het enige toendradier dat effectief een echte winterslaap houdt. Die doet dat ongeveer twee derde van het jaar in een diep hol. Deze winterslaap wordt mogelijk gemaakt door een inwendig mechanisme dat de eekhoorn in staat stelt om in leven te blijven, ook al bereikt zijn lichaamstemperatuur bijna het vriespunt. In deze toestand is de ademhaling bijzonder traag (één keer per twee of drie minuten), zodat warmte en energie gehandhaafd blijven. De poolvos zwerft het hele jaar door over de toendra rond. In de zomerperiode is zijn pels bruin-grijs, maar later verandert hij in het smetteloze wit, dat jammer genoeg door de bontindustrie erg op prijs wordt gesteld. In de zomer bestaat zijn menu uit lemmings. Lemmings zijn geliefde prooidieren voor uilen, wolven, lynxen en wezels. Daarnaast zijn ze vaak de prooi van raven en haviken. Hun aantal is echter vrij groot, doordat de vrouwtjes hun eerste jong al ter wereld brengen nog voordat ze zes maanden oud zijn. Per jaar kan een vrouwtjeslemming wel zes keer bevallen. Een grote sterfte bij de lemming leidt onvermijdelijk tot een kleiner aantal vossen, die hun belangrijkste bron van voedsel kwijt zijn. Dit beïnvloedt dan weer het leven van de Eskimo’s die grote aantallen vossen strikken. Wanneer er een zeer groot tekort aan voedsel is, eet de vos zelfs de uitwerpselen van de beer op. In tegenstelling tot de lemming weerstaan bepaalde dieren de strenge winterkoude niet onder, maar boven de grond. Eén van hen is de haas. Zijn bruine zomervacht wordt in de winter helemaal wit, een ideale camouflage dus. In de meest noordelijk gelegen gebieden blijft de haas echter het hele jaar door wit. Nog een andere bewoner van deze uiterst noordelijke landen is de kariboe. Er bestaan drie soorten : de berg-, de bos- en de vlaktekariboe. Enkel de laatste is de echte bewoner van de toendra. Het woord kariboe is afkomstig van de Micmac-Indianen en betekent zoveel als ‘schopper’. Dit heeft betrekking op de gewoonte van het dier om ‘s winters met zijn hoeven in de sneeuw te wroeten, op zoek naar korstmos. De kariboe is een rendier uit Noord-Amerika en de Eskimo’s waren ooit volledig op dit dier aangewezen. De kariboe leverde hen de elementaire levensstoffen : vlees om te eten, huiden om er winterkledij van te maken, geweien om tot gereedschap te verwerken en vet voor verwarmings- en verlichtingsdoeleinden. In de 18de en 19de eeuw kwamen nog grote kariboekudden voor, maar de Europese bontindustrie heeft hun aantal snel gereduceerd. De bewoners van de poolstreken gingen hun vallen voor de blanke man zetten en werden uitgerust met vuurwapens in plaats van de vroegere primitieve wapens. Kariboes zijn onvermoeibare trekkers. Wanneer ze het bergachtige land in het noorden verlaten om te gaan overwinteren in de bossen van het subpoolgebied, moeten ze een afstand van zo’n 1.300 kilometer afleggen. De kariboe heeft twee grote vijanden : de wolven en de insectenplagen. In tegenstelling tot de vlaktekariboe trekt de ruig behaarde muskusos (de zeldzaamste van de grotere pooldieren) niet weg voor de winterkoude, maar trotseert alle ontberingen, inclusief de vier maanden duisternis. Er was een tijd waarin de muskusos (die gespleten hoeven heeft) rondtrok door het hele noordpoolgebied, maar in wilde staat komt hij nu enkel nog voor in Canada en Groenland. De volwassen mannetjes vertonen vrij veel gelijkenis met de Amerikaanse buffel, maar in feite is de muskusos verwant aan de schapen en de geiten. De Tibetaanse takin, het wilde dier dat meer op een koe lijkt, is de enige nog levende naaste verwant. De mannetjes zijn in de herstperiode het levendigst, want ze moeten dan vechten om hun harems bijeen te houden. De kudden zijn klein en deze dieren kunnen met hun scherpe, gekromde horens gevaarlijk voor de dag komen. Wanneer ze worden aangevallen verzamelen ze zich in een cirkel, waarbij de jonge dieren zich dicht tegen de flanken van de volwassenen aandrukken. Hun hoofdvoedsel bestaat voornamelijk uit dwergwilgen, zeggen en gras. Ze vinden dit voedsel meestal bij bergstromen en rivieren. Ze zijn beschermd tegen de kou door een dikke, zachte laag wol, die zich onder de buitenste vachtharen bevindt.

Vissen en zeedieren aan de noordpool

De rivieren en meren in het noordpoolgebied zijn de permanente woonplaatsen van bergforellen, vlagzalmen en andere vissoorten. Men treft hier ook witte walvissen aan en narwallen (twee van de weinige in leven gebleven soorten die aan de walvisvangst zijn ontsnapt), zeehonden en walrussen. Narwallen (en dan voornamelijk de mannetjes) zijn met een puntige slagtand uitgerust (zie foto), ongeveer drie meter lang en omhoogstekend uit de onderkaak. Er zijn er ook die dubbele slagtanden bezitten, maar gewoonlijk komt er maar één tot ontwikkeling. Eigenlijk zijn deze slagtanden ‘hoektanden’. Ze hebben een belangrijke plaats in de mythologie van die streed verworven. In de middeleeuwen dacht men dat dit de horens waren van de legendarische eenhoornvis. De tot poeder gemalen slagtand werd verkocht als een middel dat ziekten kon voorkomen. De Eskimo’s bewerken de slagtanden tot gereedschap, het vlees eten ze op en het spek gebruiken ze als olie. De gebaarde rob treft men voornamelijk in kustgebieden aan. Hij is vaak langer dan drie meter en leeft van vis en grote steurgarnalen. De kroost wordt op het ijs ter wereld gebracht. De geringde rob heeft ongeveer dezelfde gewoonten. De klapmutsrob geeft er de voorkeur aan om verder in open zee te vertoeven. Zijn voedsel bestaat uit vissen en inktvissen. De walrus is veel groter dan enig andere robbensoort die in het noordpoolgebied voorkomt. Hij wordt ongeveer vijf meter lang. Met zijn slagtanden breekt hij weekdiertjes los van de in het water liggende rotsblokken. Daarnaast doodt hij ook wel eens kleinere robben.

NORTHWEST PASSAGE

De Noordwestelijke Doorvaart is een route van de Atlantische Oceaan naar de Grote Oceaan door de poolarchipel van Canada. De route loopt voor het grootste deel door de wateren van de Canadese Archipel en eindigt in de Beringstraat. Al eeuwenlang is de doorvaart een droom voor ontdekkingsreizigers. In 1906, na drie eeuwen vergeefse pogingen, is Roald Amundsen de eerste die er in slaagt heel de route af te leggen. De Noordwestelijke Doorvaart is de kortste weg tussen Azië en Europa. Door de passage bedraagt de afstand Londen-Tokio niet meer dan 15.700 km, langs het Panama kanaal en het Suez kanaal is dit respectievelijk 23.300 km en 21.200 km. De winst is minstens 26 %.

Vooral in het noordoosten van Arctisch Canada komen ijsberen jaarrond voor. Tijdens de scheepsreizen door deze gebieden is de kans dan ook groot dat u ze daadwerkelijk tegenkomt. In de herfst (oktober en november) verzamelen zij zich massaal rond het plaatsje Churchill.
SPITSBERGEN

Hoog in het noorden ligt de Spitsbergen archipel, land van ijsberen, gletsjers en mijnbouw. Longyearbyen is de uitvalsbasis voor twee verschillende trektochten. Spitsbergen staat bekend om zijn ijzingwekkende landschappen met gletsjers, fjorden, pakijs en sneeuw. Vanwege de ligging van de eilanden komen hier veel pooldieren voor zoals ijsberen, poolvossen, zeehonden, walrussen en rendieren. Vroeger stonden de eilanden veelal bekend om de walvisvangst. Het land kent buiten de hoofdstad geen infrastructuur en men mag alleen onder begeleiding het landschap doorkruisen vanwege de vele ijsberen. Vervoer geschiedt grotendeels met sneeuwscooters. Verder staat Spitsbergen bekend om zijn raketlanceerbasis (SvalRak), Wereldzaadbank en de vondst van vele fossielen van dinosaurusachtige. Reizen naar Spitsbergen gaat veelal door middel van een expeditieschip. De Spitsbergen eilandenarchipel situeert zich in de Noordelijke IJszee op circa 600 km ten noorden van Noorwegen en nauwelijks een 1.000 km van de Noordpool. Bezoekers omschrijven het niet zelden als de meest romantische plaats in het noordpoolgebied. Spitsbergen ontleent dit compliment aan een aantal factoren, niet in het minst de unieke en prachtige natuurrijkdom die hier overvloedig aanwezig is. Zo is Spitsbergen de regio in het hoge noordpoolgebied met de rijkste variatie aan flora en fauna.
 

Beoordelingen  |  Wie is Wie ?  |  Contactinfo  |  Nieuwsbrief  |  Agenda & Scheepbezoeken  |  Cruise Blog |  Waardebon |  Privacy policy